Door: Dana Komjaty
Vanachter de frambozenstruiken keek de kleine Yara naar de oude vrouw die iedereen gewoon ’tante’ noemde. Niemand die nog leefde kende haar echte naam.
Yara zag haar bewegen aan de rand van haar tuin als een trage, zwarte schaduw. Bijna alsof ze niet echt was, een klein figuurtje in een zwarte sjaal dat geruisloos tussen de plantenrijen gleed.
Haar rug was gebogen, alsof ze de verhalen uit de vele voorbije jaren op haar smalle schouders droeg. Haar handen, wanneer ze langs de bladeren van de komkommers streek of de aarde rond de aardappels aandrukte, leken op oude broze takken.
Van binnen voelde Yara een brandend vuurtje, omdat ze zoveel vragen had die ze de oude vrouw dolgraag wilde stellen…
Maar ze had mensen horen praten, ze zeiden dat tante niet hield van mensen, en ze nooit wilde dat er iemand te dichtbij kwam. Dus Yara trok daaruit de conclusie dat een nieuwsgierig klein meisje dat haar zou achtervolgen met miljoenen vragen ook niet welkom zou zijn.
Een paar van de vragen die ze tante graag had willen stellen—als ze het zou hebben gedurfd —waren:
*Wie heeft je geleerd hoe je met planten kunt praten? Vertellen de planten aan jou hun geheimen? Waarom zit je schort vol gaten alsof de mieren het opgegeten hebben? Waarom houd je niet van mensen?*
Maar ze durfde niet…
Op een vroege ochtend zat ze weer achter de frambozenstruiken en keek weer naar tante, die deze ochtend wat kruiden plukte in haar tuin. Haar nieuwsgierigheid borrelde zo sterk naar boven dat ze eindelijk de moed vond om uit haar verstop plaats te kruipen. Ze kroop zo dichtbij ze kon, zonder gezien te worden, dat ze het gezicht van de oude vrouw beter kon bekijken.
Ze zag dat haar huid bijna doorschijnend was, ze zag ook hoe haar gezicht leek alsof het gemaakt was van gekreukeld dun papier—het soort waar haar moeder zaadjes in verpakte. Ze zag hoe haar ogen zo doordringend waren als de vlijmscherpe disteldoornen.
Terwijl ze genoot van het kunnen zien van de oude vrouw van dichtbij draaide de oude vrouw zich plotseling om, alsof ze de aanwezigheid voelde van een nieuwsgierig wezentje dat naar haar keek. Yara’s hart stond bijna stil van schrik, en even dacht ze dat tante haar zou zien zitten, als een klein katje in de hoek van de frambozenstruik.
Maar tante leek haar niet op te merken.
Haar priemende blik gleed langs het meisje weg, door haar heen alsof Yara uit niets dan mist bestond.
Toen draaide ze zich weer om en schuifelde langzaam terug naar haar huisje. Ze sloot de deur achter zich met een geluid als een diepe zucht.
Die nacht droomde Yara van een tuin waar elke plant een stem had. Langzaam bewegend tussen hen was een oude vrouw in een zwarte sjaal, voorovergebogen om naar de brandnetel en de rozenstruik te luisteren.
En daar gebeurde het—in haar droom keek de vrouw op. Haar doornscherpe blik ontmoette die van Yara, helemaal tot aan de overkant van de tuin bij de frambozenstruiken.
En toen….knipoogde de oude vrouw naar haar. Yara voelde vlinders in haar buik van blijdschap en het leek alsof alles om haar heen fellere kleuren kreeg.
Dana Komjaty