Arthur Schopenhauer en de universitaire vrijheid
Door: Paul Cliteur
Samenvatting
Paul Cliteur hield een lezing over de filosofie van Arthur Schopenhauer in relatie tot universitaire vrijheid, waarbij hij reflecteert op de intellectuele vrijheid, de invloed van dogmatische autoriteiten en de hedendaagse bedreigingen voor het vrije denken. Hij verbindt Schopenhauers ideeën over zelfstandig denken met historische en moderne voorbeelden van onderdrukking van intellectuele vrijheid, zoals de zaak-Galileo, de opkomst van cultuurmarxisme en de impact van fundamentalistische invloeden door migratie. Hieronder volgt een samenvatting van de lezing.
Inleiding en context
Cliteur begint met een persoonlijke noot: hij werd gevraagd een lezing te houden over “cultuurmarxisme”, een onderwerp waarover hij in 2018 een boek publiceerde. Dit onderwerp was echter al “bezet” door een andere spreker, waardoor hij koos voor Arthur Schopenhauer (1788-1860) en diens visie op universitaire vrijheid. Hij benadrukt dat zijn lezing niet primair bedoeld is om meningen op te dringen, maar om een denkproces te stimuleren en nieuwe inzichten te bieden. Cliteur koppelt zijn bespreking van Schopenhauer aan bredere thema’s zoals vrijheid van gedachte, meningsuiting en de bedreigingen hiervan in de moderne tijd, waaronder cultuurmarxisme en religieus fundamentalisme.
Cliteur blikt terug op zijn eigen academische carrière, die begon in 1984 aan de Universiteit Leiden, waar hij bijna 40 jaar verbonden was, de laatste 20 jaar als hoogleraar Encyclopedie van de rechtswetenschap. In 1984 werd hij sterk beïnvloed door Schopenhauer, over wie hij een artikel publiceerde in *Hollands Maandblad*. Hij beschrijft de toenmalige publicistische vrijheid, waarin hij vrijelijk kon publiceren in mainstream media en vaktijdschriften. Dit contrasteert met de huidige tijd, waarin hij universiteiten ziet als bolwerken van “linkse wokistische indoctrinatie” en media ideologisch gepolariseerd zijn.
Quickscan van Schopenhauer
Cliteur geeft een korte introductie tot Schopenhauer, een Duitse filosoof die leefde van 1788 tot 1860. Schopenhauer was geen universitaire filosoof, maar leefde van het vermogen van zijn vader en schreef zijn hoofdwerk *Die Welt als Wille und Vorstellung* (1818). Hij had een grote invloed op kunstenaars en schrijvers en wordt door Cliteur geprezen als de grootste stilist in de filosofiegeschiedenis. Cliteur adviseert om Schopenhauer te lezen via zijn kortere essays, zoals *Parerga und Paralipomena*, en specifiek het essay *Über die Universitätsphilosophie*. In dit essay bekritiseert Schopenhauer de universitaire filosofie van zijn tijd, vertegenwoordigd door Fichte, Schelling en Hegel. Schopenhauer leerde Cliteur dat het legitiem is om gezaghebbende filosofen krachtig te bekritiseren en ferme posities in te nemen, wat essentieel is voor intellectuele ontwikkeling.
Schopenhauer benadrukt het belang van zelfstandig denken, een thema dat Cliteur verbindt met de bredere geschiedenis van de filosofie. Hij verwijst naar werken van filosofiehistorici zoals Bertrand Russell en Émile Bréhier, die de filosofiegeschiedenis zien als een opeenvolging van denkers die men kritisch moet benaderen om tot eigen inzichten te komen. Dit proces van kritisch nadenken en positie kiezen vormt de kern van intellectuele volwassenheid.
Schopenhauer en de vrijheid van gedachte
Cliteur richt zich op een specifiek citaat van Schopenhauer, waarin deze René Descartes (1596-1650) prijst als de “vader van de moderne filosofie” omdat hij de rede leerde “op eigen benen te staan” door mensen aan te moedigen hun eigen verstand te gebruiken in plaats van te steunen op autoriteiten zoals de Bijbel of Aristoteles. Dit citaat, afkomstig uit Schopenhauers *Sämtliche Werke* (IV, p. 11), vormt de basis voor Cliteurs bespreking van intellectuele vrijheid.
Descartes’ beroemde *Cogito, ergo sum* (ik denk, dus ik ben) uit zijn *Discours de la méthode* (1637) en *Meditationes* (1641) markeert het begin van het moderne denken. Descartes stelde dat men aan alles moet twijfelen wat betwijfeld kan worden, wat leidde tot de conclusie dat het bestaan van het denkende zelf onbetwistbaar is. Hoewel Descartes later terugvalt op traditionele ideeën zoals het bestaan van God, legde hij met zijn nadruk op zelfstandig denken de grondslag voor de moderne wetenschap en filosofie. Schopenhauer contrasteert dit “zelfdenken” met twee autoriteiten die het vrije denken belemmerden: de Bijbel en Aristoteles.
De Bijbel als belemmering voor zelfdenken
Cliteur bespreekt hoe de Bijbel in de 17e eeuw een dominante rol speelde in wetenschappelijke debatten, waarbij bijbelteksten als onfeilbaar werden beschouwd. Dit leidde tot conflicten met wetenschappers zoals Galileo Galilei (1564-1642), die het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus verdedigde. Dit wereldbeeld, waarin de aarde om de zon draait, stond haaks op het geocentrische model dat werd gesteund door bijbelteksten zoals Psalm 104:5, Prediker 1:5 en Jozua 10:12-13. Deze teksten werden gebruikt om te beweren dat de aarde stilstaat en de zon eromheen draait.
Galileo’s waarnemingen met de telescoop ondersteunden het heliocentrische model, maar de kerkelijke autoriteiten weigerden zijn bewijs te accepteren, omdat het in strijd was met de Bijbel. In 1633 werd Galileo door de Inquisitie gedwongen zijn overtuigingen af te zweren in een vernederende verklaring, waarin hij moest beamen dat de Bijbel altijd gelijk heeft en dat hij ketterse ideeën had verkondigd. Deze afzweringsformule illustreert hoe de kerk het vrije denken onderdrukte door de Bijbel als ultieme autoriteit te stellen. Descartes, die ook het heliocentrische model steunde, koos ervoor zijn werk *Le Monde* niet te publiceren uit angst voor vervolging, wat aantoont hoe de kerkelijke autoriteit het vrije denken belemmerde.
Cliteur contrasteert twee perspectieven: *fundamentalisme*, waarbij de Bijbel prevaleert boven wetenschap, en *modernisme*, waarbij wetenschap en rede voorrang hebben. Schopenhauer wordt als modernist gezien, en Descartes als grondlegger hiervan. In de moderne tijd is het modernisme verankerd in mensenrechtenverdragen, zoals artikel 18 en 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (1950), die vrijheid van gedachte en meningsuiting beschermen.
Hedendaagse bedreigingen voor modernisme
Hoewel het christendom volgens Cliteur door de “wasmachine van humanisme en Verlichting” is gegaan en niet langer een bedreiging vormt voor vrije wetenschap, ziet hij nieuwe gevaren. Door massale immigratie uit fundamentalistische culturen, met name islamitische, komt het modernisme onder druk te staan. Cliteur wijst op de invloed van de Koran en Hadith, die in sommige kringen dezelfde autoriteit krijgen als de Bijbel in 1633. Hij verwijst naar statistieken (bijvoorbeeld een migratiesaldo van 137.000 in Nederland in 2023) en rapporten over de invloed van de Moslimbroederschap in Europa om dit gevaar te onderstrepen.
Aristoteles als belemmering
Naast de Bijbel zag Schopenhauer Aristoteles als een belemmering voor vrij denken. In de middeleeuwen werd Aristoteles, via de theologie van Thomas van Aquino, verheven tot “de Filosoof” binnen de kerk. Zijn geocentrische wereldbeeld ondersteunde de kerkelijke leer, wat de acceptatie van Copernicus’ ideeën bemoeilijkte. Bertrand Russell merkte op dat sinds de 17e eeuw elke intellectuele vooruitgang begon met een aanval op een Aristotelische doctrine. Cliteur betoogt dat het verheffen van één filosoof tot autoriteit de wetenschap stagneert.
Van Aristoteles naar Marx
In de moderne tijd ziet Cliteur een nieuwe “Aristoteles” in de vorm van Karl Marx. Vanaf de jaren zestig werd het marxisme, in de vorm van cultuurmarxisme, een dominante ideologie aan universiteiten. Een voorbeeld hiervan is de studentenactie in 1969, waarbij de Katholieke Hogeschool Tilburg werd omgedoopt tot “Karl Marx Universiteit” als protest tegen gebrek aan inspraak. Deze actie markeerde de opkomst van de “Linkse Kerk”, een term die verwijst naar een dogmatische linkse elite die vrije wetenschap onderdrukte.
Cliteur illustreert dit met de affaire-Buikhuisen (1978), waarbij criminoloog Wouter Buikhuisen werd gedemoniseerd omdat hij onderzoek wilde doen naar biologische factoren in crimineel gedrag, wat indruiste tegen de marxistische overtuiging dat gedrag enkel door omgevingsfactoren wordt bepaald. Buikhuisen werd belaagd, vergeleken met nazi’s, en uiteindelijk gedwongen zijn academische carrière te beëindigen. Zijn zaak toont hoe cultuurmarxisme, net als de kerk in 1633, vrije wetenschap kan onderdrukken.
Conclusie
Cliteur concludeert dat Schopenhauers pleidooi voor zelfstandig denken, geïnspireerd door Descartes, cruciaal blijft. Hoewel Galileo in 1633 werd gedwongen zijn ideeën af te zweren, zegevierde het modernisme uiteindelijk via de Verlichting en mensenrechtenverdragen. Echter, nieuwe bedreigingen zoals islamitisch fundamentalisme en cultuurmarxisme zetten de vrijheid van gedachte onder druk. Cliteur pleit voor waakzaamheid tegen zowel religieus als seculier dogmatisme, en benadrukt dat de geschiedenis leert dat vrije wetenschap en denken altijd bevochten moeten worden.
Lees onze huisregels ook even. Wilt u ook meediscussiëren maar bent u nog geen lid? Meld u dan hier aan en geniet van alle voordelen.